Ontslaving: PGC

Doorzoek de site

Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content
Post Type Selectors
Search in posts
Search in pages

8 december 2020

De overheid oefent toezicht uit op wat artsen zo allemaal voorschrijven. Begin jaren negentig waren er twee instellingen die elk vanuit een eigen perspectief toezicht op de voorschriftpraktijk uitoefenden.

Om te beginnen valt elke arts onder het tuchtrecht van de Orde van toen nog Geneesheren, de nu Orde der artsen. De Orde is een corporatie, zeg maar een gilde of een beroepsvereniging, samengesteld uit alleen maar artsen die verplicht lid zijn als ze het beroep willen uitoefenen. De Raad van de Orde, het bestuursorgaan, wordt door de leden bij stemming verkozen.

Het tuchtrecht bestaat erin, artsen die op allerlei gebieden een scheve schaats rijden, tot de orde te roepen en zo nodig te bestraffen. Dat kan gaan van verbale straffen zoals een vermaning, berisping of waarschuwing, tot het verbod het beroep van arts nog te mogen uitoefenen, voor een bepaalde duur of voor altijd, naargelang het gewicht van de aantijging.

De Provinciale Geneeskunde Commissie (PGC), daarentegen, is dan weer een orgaan van de Belgische Staat, zeg maar de koning, die er onder de minister van Volksgezondheid per provincie een commissie op na houdt om te kijken of artsen en apothekers zich aan de regels van de beroepsuitoefening houden. Deze raadsgroep is samengesteld uit artsen uit de regio.

De PGC houdt zich onder meer bezig met het viseren van de diploma’s en het verstrekken van de erkenning als arts, die ze ook weer in kan trekken. Zowel de Orde als de PGC hebben onderzoeksmacht. Net zoals de Orde van Geneesheren, maar los ervan, had ook de PGC de bevoegdheid me te verhoren of inzage in de dossiers te eisen. Beiden waren als bij toeval sterk terughoudend, om niet te zeggen vijandig, ingesteld ten opzichte van methadontherapie.

Stel dat ze me veroordeelden, dan konden ze me aangeven aan het parket van de procureur des Konings, als zou blijken dat ik het druggebruik onderhield door verslavende producten te verstrekken, in de zin van de wet van 1921. Om kort te gaan, tussen 1994 en 2000 ben ik ettelijke keren opgeroepen om voor een vierschaar te verschijnen die meestal uit pensionado’s bestond.

Ik mocht telkens gaan uitleggen wat ik allemaal deed met en voor ex-heroïneverslaafden. Op een bepaald ogenblik moest ik zelfs een advocaat in de arm nemen om mijn belangen te verdedigen. Dat kostte een bom geld, in vergelijking met mijn eigen inkomen van die jaren. Gelukkig was hij wel bekwaam genoeg om me vrij te pleiten.

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.