Home2019november

november 2019

Ciel mon mari Ik dacht dat ik warempel in mijn broodje stikte. Gerookte zalm bereid met kaas van schapenmelk, Als dronk ik dollekervel uit bittere kelk, Waarin ik ei zo na, mij nagenoeg verslikte.   En in de zure brij mij meer en meer verstrikte, Want ik zag onverwacht een zinnebeeld hetwelk Zich

Broodjes eten, koffie drinken Vergadering alweer, en telkens broodjes eten, Of kwam het door de vele koffie die ik dronk, De persthermos op tafel oorverdovend slonk, Gespannen overleg. Ik heb me volgevreten,   Op unisex toilet weer vrolijk uitgescheten. Hoezeer ik achteraf naar smos en koffie stonk, De zorg is uitgebreid van stulpje

Naar Verlaine Een schreeuwende vogelzwerm vliegt me voorbij, En gaat zich verschuilen in vergeelde blaren, Van een kromme els met verkrampte gebaren. Hij spiegelt mijn hart en mijn spijtrazernij.   Een oude herinnering welt op in mij. Het trieste geheugen komt niet tot bedaren, Weerkaatst violet, het valt niet te verklaren. Verhalen van schipbreuk

Nu de jaarlijkse discussie omtrent de zwartepietproblematiek weer losbarst, zal ik ook maar mijn standpunt bekendmaken, dat het om een walgelijke, weerzinwekkende en wansmakelijke vertoning gaat, waarbij kinderen massaal worden blootgesteld aan een foute man in een gedateerd bisschopsgewaad met een schimmel tussen de benen

De katten Naar Baudelaire   Verliefde stellen en gestrenge zonderlingen, In rijpe jaren houden net zo van de kracht, Van zachte katten in hun huiselijke pracht, Zo huiverig verknocht aan onroerende dingen.   Bevriend met wetenschap en zinnelijk genot, Op zoek naar nachtstilte en gruwelschemeringen, Als onderaards ontboden onheilszendelingen, Maar nooit ondergeschikt. Hun trots is niet

Nevel en regen Naar Baudelaire   O herfstig einde! Winters, lentes, moddervlagen! De geeuw van jaargetijde. Lof en dank de dagen, Die mij omsluieren van hart tot hersenbrein, Met lijkwade van wasemdamp en zerkgordijn.   Een kaal gebied waar koud de strakke winden ragen, Die lange nachten waaien en de draaischouw plagen. Mijn ziel, aan

Op vossenjacht De tijd is nu gekomen om een jachtkreet aan te heffen. Daar staat de jagerstoet te blinken en gereed, Een amazone die kordaat naar voren treedt, In het ter plaatse trappelende ochtendtreffen.   De ruiters in een rode pandjesjas gekleed, Terwijl de teven huilen en de reuen keffen. Een paar drijfhonden

Rwanda We zullen nu eerbiedig grond van rouw betreden: Gebeente, onbegraven, niet ter aard besteld, Maar afgekloven, door de mieren afgepeld En alle vlees van de skeletten afgesneden.   Een genocide in een niet zo ver verleden Een uitbarsting van zinloos ziedend krijgsgeweld Hier ligt niet het geraamte van een oorlogsheld Maar massa‚Äôs burgers

Toen waren er nog negen Een praatbarak bekend om eindeloos gekeuvel, Maar niet met wat er nu op de agenda staat In de commissie van de Belgische senaat Het Roeandees tienvoudige para-gesneuvel!   Uit duizend was fataal die dag die ene heuvel, Voor tien van onze jongens, zoals steeds paraat Voor vorst en