En U

Aan de bron ligt het ik van de dichter die zijn mond niet kan houden. Vroeger werd ook theater door dichters geschreven of gezongen. In tegenstelling met dichten is theater een collectief gebeuren, waar heel veel ikken om de hoek komen kijken. De poëzie komt nu veelal tot ons via letters op papier, of op het scherm, maar je kunt er ook naar luisteren.

In tegenstelling tot theater is poëzie een één op één gesprek. Er is alleen maar jij en ik en de tekst tussen ons. Het gedicht is een nieuw ik dat in een notendop hopelijk tot jouw ik spreekt, door middel van geschreven of gesproken taal. Elke poëtische tekst bevat een onderwerp, een subject, dat een eigen, derde ik verwerft. Het gaat altijd over iets, of er wordt iets verteld, wat een fictieve ik verwekt, die tussen mij en jou staat.

Neem nu een gedicht over een vulkaan. Dan wordt die vulkaan een ik. Een handelend subject. Poëzie en theater zijn zeer met elkaar verwant op historische en literaire gronden. Het gaat om toespreken en bezingen, met het verschil dat poëzie zo talig is, bij gebrek aan beeld. Iemand neemt het woord en een ander luistert. Of iemand schrijft, een ander leest.

De lezer, de andere ik, laat het aangebrachte op zich inwerken. Hij of zij is voor de dichter behalve een ik, ook een tweede persoon: een jij of een U. Ik spreek tot jou. Ik spreek jou toe, ik spreek u hopelijk aan. Dat is de meest primaire dramatische driehoek: de ik van de dichter, de ik van de lezer, die tevens een U is en het fictieve ik van het stuk dat voorligt;

Daar blijft het niet bij. Tussen elke twee ikken die elkaar ontmoeten ontstaat altijd een vorm van spanning, zeker in het theater, waar de wisselwerking tussen de personages, die allemaal een ik meebrengen, aanleiding geeft tot telkens weer nieuwe, secundaire dramatische driehoeken, die telkens een scène of een onderdeel ervan vormen.

Het wordt al gauw complex naarmate meer ikken het veld bevolken. Dan doe je er meestal goed aan de ik van de verteller, en die van de luisteraar, buiten beeld te laten, om je op je onderwerp te concentreren. Ik bedoel, je wil toch ook niet midden in de film de regisseur in beeld krijgen die komt vertellen hoe moeilijk het was de film te maken?

Die maker moet buiten beeld blijven om de fictie niet te doorbreken en te ontmaskeren. Dat geeft de lezer de gelegenheid zich met de fictieve ik te vereenzelvigen.