Alsem of Vergif zit in de dosis: Pasta met pesto

Doorzoek de site

Generic selectors
Exact matches only
Search in title
Search in content

23 april 2021

Wiebe in de auto.

Je wereldbeeld valt soms aan diggelen. Laatst kom ik in een krantenwinkel. Ik sla een paar vunzige Belgische homoblootblaadjes open en ik kijk in het gezicht van Ricky, en in nog wat meer ook. Blijkbaar heeft hij op het laatst nog wat geld willen bijverdienen door voor zo een blaadje te poseren, helemaal naakt, in wulpse standjes.

Hoe diep is hij gevallen? Ik ben in mijn ziel getroffen, dat ik dit allemaal moet meemaken. De ontluistering. Misschien had ik hem meer geld moeten geven. Ik ben niet goed genoeg voor hem geweest. Ik heb het kwijlblaadje gekocht, omdat het bij de verzameling hoort, maar ik kan er niet meer naar kijken, uit vrees dat mijn liefde voor hem zou verdampen.

Ik heb nog meer ontdekt. De aanklacht die ze hadden tegen Ricky was een brokkelig weefsel. Er is niks bendevorming geweest, alleen maar het naar huis brengen van wat kleine voorraadjes, alles samen voor zo een twintigduizend frank straatwaarde.

Hij is in de gevangenis gegaan en hij is beschadigd teruggekomen in de maatschappij. Na enkele weken was Ricky dood. Ik wil maar zeggen, wat is dit nou, Gods gerechtigheid?

Overdosis, laatste halte. Is dat alles? Het geeft me geen voldoening als verklaring. Zeker niet als daar nu nog een verdacht ongeluk bijkomt. Ricky vergiftigd, Fernando gestikt en Abdelhak van een kraan gesprongen.

Ik heb daarnaast ook nog een verdwaald verslag van de ontleding van Ricky’s maag- en darminhoud in handen gekregen. Daar word ik ook niet vrolijk van. Het verslag brengt aan het licht dat de overledene pasta met pesto gegeten heeft, meerdere uren voor het overlijden, want het zat al in zijn stoelgang. Het was de avond van mijn vertrek naar Straatsburg.

Ik veronderstel niet dat hij dat weekend nog ergens anders pasta met pesto gegeten heeft. Ik moest naar het vliegveld. Die avond is hij gestorven. Ik wil weten met wie hij seks gehad heeft later die avond. Dat kan alleen met de dader zijn, de man op de trap. Die gedachte laat me niet los.

Het is een fantasie die ik heb, dat de dader eerst met hem naar bed gaat, en dat nadien het fatale shot zo wordt toegediend, gefilmd op een manier dat je niet kunt zien wie de spuit in handen heeft. Ik beeld me dat in, om mezelf nog een beetje meer op te fokken.

Ricky was helemaal blut op dit ogenblik. Hoe is dat poeder daar gekomen? Hij liet niet zoveel mensen bij hem binnen, veel vrienden had hij niet. Er zijn geen tekens van inbraak. De deur was op enkel slot. Ricky heeft de dader er in gelaten die avond. De dader heeft zichzelf uitgelaten. Er zijn in het dossier geen sporen terug te vinden van andere mensen die hem nog zagen tijdens zijn laatste weken.

Fernando of Abdelhak is alles wat we hebben. Een enkele keer is daarbuiten volgens de conciërge op een avond nog een onbekende heer op middelbare leeftijd gekomen. Fernando zou geen glas champagne afslaan, zoals we hem leerden kennen. Wie anders dan een moslim brengt een fles champagne mee, om er zelf niet van te drinken? Het is Abdelhak geweest, ik weet het zeker.

De ene was door de grenspolitie van de trein geplukt, de ander voorgeleid voor ondervraging wegens een klein drugsdelict. Waarom kwam die aanklacht na zoveel tijd boven water, om Ricky de gevangenis in te helpen? Een anonieme getuige verklaarde dat Ricky “samen met anderen drugs gebruikte, en ook wel eens drugs verkocht of weggaf,” maar wellicht deed die getuige dat om strafvermindering te bekomen. Het is niet na te gaan.

Bij het ziekenhuis gekomen, spreken we af, dat we gezien het late uur, beter onze krachten splitsen. Rafels gaat eerst naar Louis, terwijl ik rechtstreeks naar Abdelhak toega.

Hartbewaking

Louis  slaapt, maar wordt meteen wakker, nog voor ik een stoel heb kunnen nemen.

“Hallo, dag dokter Rafels. U hier?” Louis is in een oogwenk bij volle bewustzijn en gaat tamelijk springlevend rechtop in het ziekenhuis zitten, behangen met draden en kabels.

Zijn leven heeft aan een zijden draadje gehangen, zoals hij zelf weet. Hij heeft een hartinfarct gehad, maar hij heeft het overleefd, dankzij snel ingrijpen.

“Ik heb op de ‘biljaar’ gelegen. Ze zijn met een draad in mijn kransslagaders geweest en ze hebben een spiraalveertje erin gestoken om de bloedstroom open te houden.”

“Hoe is dat nou gekomen?”

“’s Morgens kreeg ik een aangetekend schrijven, een dagvaarding om voor de zitting van de tuchtcommissie te verschijnen. Ik was er de hele dag boos en ongelukkig van. ’s middags krijg ik mijn wekelijkse schrobbering bij het mens van daderhulp, en in de vroege avond krijg ik die hartaanval bij de kassa in de supermarkt.”

Louis heeft zich de hele dag zitten opvreten, omdat hij overal moest wachten. Eerst in het postkantoor, om de aangetekende brief op te halen, dan om dat mens te zien, vervolgens in de wachtkamer van mijn praktijk, terwijl ik in het ziekenhuis zat, nog een keer in de apotheek om het voorschrift op te halen, en ten slotte in de vooravond, in de file bij de kassa van de supermarkt.

“Ik heb me inwendig opgebrand. Ik heb nooit kinderen aangeraakt en ik zal het ook nooit doen. De aanklacht stelt niets voor. Mijn advocaat begrijpt niet dat je op die basis iemand kunt beschuldigen, maar ze doen het wel. Ze maken mij kapot. Het is een heksenjacht. Ik zweer het je. Ik heb me lang laten afdreigen, maar ik wil nu getuigen als het moet.”

“Louis, kom tot bedaren!”

“Ik ben toch al geschorst. Hartinfarct. Rugoperatie. Post-traumatische stressstoornis. Wat heb ik te verliezen? Ik heb te lang gezwegen. Het gezwel moet verwijderd worden. De maat is vol. We gaan een vakbondsactie beginnen om Robeyns te schorsen. Zo gauw ik hier uit kom, zal het er gaan stuiven. Tot op het bot!”

“Zolang je in het ziekenhuis ligt, kun je niet veel doen. Je moet eerst genezen en herstellen. Dat zijn al twee verschillende dingen. En je moet ook nog op dieet natuurlijk.”

“Ik voel me machteloos en ontdaan van het nietsdoen sinds de schorsing en nu kan ik helemaal niets meer doen.” Louis snikt het uit. “Wind je maar niet op Louis en heb wat geduld.” Ik geef hem een voorzichtig schouderklopje.

“Denk je dat ik nog gezond word, dokter?”

“Ja dat geloof ik wel, maar je moet groenten en fruit eten en lichaamsbeweging nemen. Stappen en wandelen. En je moet ophouden met jezelf op te vreten.”

“Dat zal me goed doen. Als ik hier maar levend naar buiten kom.”

“Ik moet nu weg, tot mijn spijt. Wees blij dat je het zo goed hebt overleefd.” En ik maak dat ik wegkom. Het wordt laat. Luidsprekers waarschuwen dat het bezoekuur is afgelopen.

Het gesprek met Louis, dat nog in me nazindert, heeft langer geduurd dan ik dacht. De bloemen worden op de gang gezet. Bezoekers worden aangemaand zich naar de uitgang te begeven. Ik laat me even nog niet aan de deur zetten.

Ik mag als huisarts vast Abdelhak nog een goeie avond wensen.

Ik wil naar binnen, net nu iedereen naar buiten wil.

Het is vermoeiend lopen met zoveel tegenliggers. Het is een ware doolhof, naar de smetvrije afdeling in het oude deel van het ziekenhuis. In het ziekenhuis zijn grote werken bezig.

Om van het ene paviljoen naar het andere te geraken, zijn er lange, schuin oplopende kokergangen aangebracht, op stellingen. Er heerst een akelig licht van TL-buizen.

Ouders met een bittere trek om de mond stuwen de buggy voor zich uit naar de uitgang. Bejaarden vorderen met krukken of een looprekje. Een man in een rolstoel laat zich voorzichtig naar beneden glijden. Wie heeft er nu ooit schuin oplopende gangen gezien in een ziekenhuis? Het is levensgevaarlijk, met al dat rollend materieel. Daar daalt een patiënt af met in de ene hand een sigaret en in de andere een infuusstaander.

Een zwarte broeder schrijdt met op een hand een dienblad vol urinestalen in wankel evenwicht door het tumult. Ik volg in het kielzog van deze aantrekkelijke verschijning, die met onfeilbare tred tegen de stroom oproeit. Het levendig jongmens brengt me heupwiegend een eindje verder.

Botheelkunde

Wiebe weet Abdelhak eerst niet te vinden.

Op de afdeling blijkt Abdelhak reeds uitgeschreven. Op de computer kunnen ze hem niet meer vinden, maar in de overvolle gang zie ik hem liggen en ik ga zonder permissie naar hem toe. Hij heeft een zuurstofmasker en infusen en zijn linkerhand zweeft aan touwtjes. We zijn omgeven door een drukke sfeer, want Anderlecht heeft thuisgespeeld. De slachtoffers van het voetbalgeweld stromen binnen met gebroken botten en ingeslagen schedels.

“Ik ben Wiebe. Dokter Rafels heeft je vast over mij gesproken.” Koortsachtig ijlend staat (of ligt) Abdelhak me te woord in een gesprek van veel te korte duur. “Jij bent de Hollander. Ik heb u intens gehaat, maar het kan me niet meer schelen. Ik overleef dit niet. Het slot is van mijn mond gevallen, nu kan ik spreken. God Almachtig roept mij nu toch bij Hem. Allah akbar.”

Vervolgens fluistert hij nog een en ander, dat me nog nieuwsgieriger maakt. Ricky was geen dealer, maar wel een runner. Hij runde geen hard drugs, maar hij ging wel eens naar Rotterdam, Parijs of Londen, in opdracht van Robeyns, om pakjes te brengen. Ricky verkeerde in de waan dat het er om ging de politiediensten te helpen, in de strijd tegen de grote misdaad.

“Hij kwam eens uit Rotterdam met een staaf hasj terug. Je kon er iemand mee dood slaan. Ik moet eerlijk bekennen dat ik zijn staaf wel eens in de hand heb gehouden. Grapje. Als hij wat had, dan deelde hij daar ook van. Hij gaf me bij zo een gelegenheid een grote brok cadeau. Hij sneed die eraf met een mes dat hij warm maakte. Anders kwam je er niet door heen.”

“Hoe lang hebben jullie elkaar gekend?”

“Een kwestie van weken. Ik ben hem tegengekomen in een wachtkamer in de ‘Annex,’ het bijgebouw van het Paleis van Justitie. We zaten er met een aantal jongens te wachten op Robeyns, die maar niet opdaagt. Het zijn de jongeren over wie hij een pretoriaans toezicht houdt.”

“Wat is dat voor iets, pretoriaans toezicht?”

“We gingen hem geregeld opzoeken, om aan te tonen dat we serieus zijn, en geen misdaden plegen. In ruil houdt hij het proces tegen. Hij kan op elk ogenblik beslissen naar de substituut Monique Delamenotte te stappen met een dossier onder de arm, of dat juist niet te doen.”

“Wat vond je van Ricky?”

“Hij had in de gevangenis gezeten, dat was wel spannend. We rookten wel eens een jointje samen. Coole gast. Ricky leerde me mondharmonica spelen. Hard drugs doe ik niet, al bood hij het wel aan, maar een jointje, dat hoort er wel bij. Hij was wat schuchter, maar dat was wel aantrekkelijk.”

Ik schraap de keel: “Jij bent bij hem op bezoek geweest, die avond, die laatste avond dat hij leefde en stierf.”

“Ja, hoe weet u dat?”

“Wat is er toen gebeurd?”

Abdelhak zoekt naar zijn adem. “Ik ben naar hem toegegaan met de cadeautjes van Robeyns, die avond. Ik weet niet hoe ik zo stom heb kunnen zijn. Wat een rund. Ricky en ik hebben eerst zitten internetten, dicht naast elkaar voor het kleine schermpje. Hij had een draagbare computer. Dat was zowat het enige wat hij nog had. Een armoedige kamer, op het einde uitgeleefd. Hij had alles van enige waarde verkocht om te overleven.”

Er verschijnen twee verplegers die Abdelhak naar de smetvrije afdeling moeten brengen. Wij krijgen vijf minuten respijt. Het is even wachten op de documenten. “Ricky zocht op het internet naar sporen van zijn familie. Dat was een obsessie. Van Genechten. Zijn naam, zijn afkomst.”

De verpleegkundigen kijken na of alles in orde is met de bekabeling, de kledingstukken, de dossiers.

“Zijn vader kwam met geld over de brug. Ricky betaalde me een kleine schuld terug van honderd euro, de dag nadat zijn vader was geweest, daarom weet ik het. De woensdag voordat hij stierf. Volgens wat Ricky zei, was het de eerste en de laatste keer, dat hij geld van hen aannam.”

Smetvrij

Het verpleegkundig escorte neemt Abdelhak mee naar de Afdeling Smetvrije Verzorging.

Ik wandel nog met het bed mee naar de hall. Maar ik mag hen niet volgen in de voorbehouden liften. Ik moet zelf maar mijn weg zoeken naar de genoemde afdeling. Het gesprek met Abdelhak laat me perplex achter. Gaat het om een chantagezaak? Dat zou een ander licht op de stof werpen. En er is ook iets verdwenen. In de inventaris van de in beslag genomen inboedel van Ricky komt geen computer voor. De computer is wellicht uit de kamer verwijderd nadat Ricky gestorven is.

Het heeft heel wat voeten in de aarde voor ik de afdeling kan vinden. Het sluitingsuur is eigenlijk voorbij. Het is met de grootste moeite dat ik me toegang kan verschaffen, voor enkele minuten. Ik moet wel eerst kiemvrije kledij aan over mijn eigen kleren. Het eerste wat ik zie en hoor, als ik de kamer of liever het observatiehok van Abdelhak betreed, is een groen signaal op de ronde monitor, vergezeld van een bescheiden blipje.

Groene golfjes die elkander in grote regelmaat opvolgen en achterna rennen over een groen monitorschermpje.

De gekwetste jongeman ligt verzorgd en wel op het ziekenhuisbed, alweer redelijk ver ontkleed, wat zijn rechterkant betreft.

Ik zie pas als ik mijn bril opzet, onthutst, ook een onherkenbare gedaante staan, gekleed in een smetvrij gewaad, bij de infuusbalk in de schaduw van een rijdend gordijn.

Naarmate ik aarzelend naderbij kom en mijn ogen aan de schemering wennen, stel ik vast dat deze gesluierde schim een grote spuit met een roze vloeistof erin ophoudt. Het lijkt er flink op, dat hij of zij bezig is dit vocht in de infuuszak te brengen, via de daartoe voorziene toegangspoort.

De hartenklop is heel goed op de monitor te zien, in groene golfjes zonder een slag te missen. Abdelhak ligt er redelijk versuft bij en let nergens op. In het hangende infuusvocht wolkt een roze kleur omhoog. Verrast keert de gemaskerde gedaante zich om, en kijkt me aan. Het licht weerkaatst in zijn halve brilleglazen. Hij legt rustig de lege spuit weg en stopt de handen in de zakken.

Het kiemvrij mondmasker valt daarbij scheef en hij staart me recht in de ogen. De grijze lokken onder de groene muts, en vooral zijn onderbrilletje verraden hem. Het is Robeyns himself. Het is alsof al mijn bloed in een keer stolt. Ik kan geen woord uitbrengen.

“Voordat u wat zegt, Meneer De Vries, sta me toe u te verwittigen, dat ik u onder schot heb.” Hij haalt zijn hand net voldoende uit zijn zak zodat ik het pistool met knaldemper kan zien. Alles blijft rustig. Het is even heel stil. Ik probeer onhoorbaar adem te halen, maar het lukt me niet.

Mijn hart bonkt in mijn borstkas, maar de wereld blijft bestaan. In de stilte kun je het zachte signaal van de hartmonitor goed horen, bij elke hartslag van Abdelhak. Alsof de bescheiden blip steeds sterker wordt. Ik zeg niets, maar ik kom een beetje tot bezinning. Ik ben blij dat ik vooralsnog leef en over al mijn ledematen beschik, maar ik voel me meer dan een beetje panisch. Onze Lieve Vrouw sta ons bij. De man is gewapend. Ik ben helemaal geen held met wapens. Ik overweeg te gaan gillen, maar het lijkt me toch geen goed idee. Ik werp een radeloze blik op het schermpje met de groene golfjes.

Tenslotte is het Robeyns die het zwijgen verbreekt: “Laten we vrienden blijven. Blijf rustig. Laten we samen naar buiten wandelen, kunnen we nog wat praten.”

“Wat heeft u hem ingespoten?”

“Ach, iets heel natuurlijks. U mag het wel weten. Het is onherroepelijk en simpel. Gewoon kaliumzout. Het beste middel tegen praten, op een pistool na dan.”

Ik wil wat zeggen, maar hij onderbreekt me. “Mijn dienstwapen en ik, we houden niet van praten.”

“Denkt u echt dat u hier mee weg komt? Het is monsterlijk. Hoe bedenkt u het allemaal?”

“Ik ben nog verpleegkundige geweest in het leger. Het is een interesse gebleven. Ik heb ook een cursus gerechtelijke geneeskunde gevolgd. Ik heb wat bijgelezen. Het heeft geen belang. Ik heb mijn huiswerk gedaan. De internist zal denken dat het van de nieren komt. ‘Hyperacuut nierfalen’ zullen ze denken.”

“Ik wil het met u op een akkoordje gooien. Ik wil u geen schade berokkenen, maar het is tijd dat we hier weg komen. De methode is perfect getimed, ziet u. U gaat met me mee naar buiten, zonder het minste schandaal te maken. We kunnen hier niet blijven, dat zult u begrijpen. Als ik u hier laat, dan zult u het plan verknoeien, en dat kan ik niet toelaten. Ik stel dus voor dat we gezellig samen naar de uitgang wandelen, zodat Abdelhak ongestoord zijn laatste adem kan uitblazen, op weg naar de eeuwige jachtvelden, of hoe ze het ginder ook noemen.

Wordt vervolgd…

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ook interessant?

Van ’t gat

Van ’t gat

Van 't gat Dutroux is niet ontsnapt, maar eventjes bevrijd. Zijn vrijlating is door de raadkamer bevolen. De...

De Waalse Pijl

De Waalse Pijl

De Waalse Pijl De aandacht op het ene doel gespitst te houden, Gestaarde blik verstard op het asfalt gericht. Nog even...

Weg

Weg

Weg Het kreupelhout verschroeid, de struiken die verdorden, Het is niet te geloven. Marc Dutroux is weg. Geseind en...