15 Februari

 

Met monnikskap geplooid, getooid de kloosterlingen:

Kazuifel, schapulier, in stemmig grijs en bruin,

Het borstkruis hangt aan vogelkopjes beetje schuin,

Terwijl ze van hun Schepper en hun Herder zingen:

 

De architect van het heelal en maat van alle dingen!

Zo lopen ze het vierkant rond de kloostertuin.

De cellenbroers met glad geschoren schedelkruin

Om Gods genade in hun koorzang af te dwingen

 

Tien weesgegroetjes voor een hele onzevader,

O aflaatvogel in uw vagevuur blijf kalm.

Wacht, daar ontsnapt een hoge stem uit lager kader.

 

Uit engelborst ontluikt spontaan een trillerpsalm:

Vroom achternagezeten zingt het altegader,

Meervoudig weergegeven door gewelvengalm.