14 Februari

 

De rups zat op zijn moerbeiblad zich vol te vreten.

Hij wentelde in vraatzucht rond op groen belust,

Zo lang hij schransen kon, om daarna uitgerust

Te herbeginnen, om een stukje bij te eten.

 

Tot hij gegroeid was en het blad was afgesleten.

Hij voelde zich voldaan, verzadigd, uitgeblust,

Hij rolde zich in speekseldraad, werd onbewust,

Lag ingewikkeld op zijn zijde te vergeten.

 

Bevroren in de tijd blijft de bewusteloze

Insectenmummie, garenpop, op dubbel slot,

Inwendig om-verterend, tot metamorfose

 

Weer openbreekt het slotakkoord van ’t rupsen-lot:

Ontplooide Irisvleugels in apotheose,

Imago van de soort, herboren zijdemot.