Brinken

Een duister land van eeuwenoude dodenakkers,

Sinds oertijden opeengestapeld laag op laag,

Uit het verleden rijzend hoog tot op vandaag,

De eerste veetelers, de vroege pottenbakkers.

 

Gevolgd door keuterboeren, pachters, landbouwvakkers.

Meanderwater stroomt voorbij breeduit en traag.

Het legt zich om de terpen in een lage hinderlaag,

Voor primitieve stumpers en verdoolde stakkers.

 

Aan scheefzakkende masten hangen rafelvlaggen.

Op drijfzand blijkt gebouwd het slijkerig heelal,

Na jaren optasten van zware heideplaggen,

 

En koemest uit de vloer van uitgeholde stal.

Bedekt door in elkaar gevlochten spinnenraggen.

Wat scherven aardewerk en een gebroken mal.