HomeSonnetten (Page 5)

Sonnetten

De stem uit de kerker Molinos en Petrucci, elk in eigen cel! “Waar ben je?” zucht de een? maar niemand kan hem horen, Daar dikke muren om hem heen zijn stem versmoren; “Waar ben je?” vraagt hij naar zijn verre metgezel.   Zo bidt en pleit in ijlkoorts vruchteloos Miguel. “Waarom ben

Open boek Is niet de schepping zelf een boek waarvan de bladen Aaneen zich rijgen tot een brok geschiedenis De tragische roman van wat de mensheid is Van slijk tot spraakzaam dier en voedsel voor de maden   Daarom heeft God een drietal boeken aangeraden Een kostbaar plan vol waarheid en geheimenis Dat

Biecht Ik kniel en ik beken, mijn biechtvader, eerwaarde Te veel hield ik van prikkelende woordenroes Extase met vervoering, en geroezemoes, dat ‘t nutteloze aan ‘t onaangename paarde   Tot Jezus Christus me eens goed in d’ogen staarde En sprak: het moet nu uit zijn met de flauwe smoes Hij klapte in zijn

Praatprogramma Er valt op zijn betoog weer weinig af te dingen. Hoe de Islam verschilt van Katholieke kerk, Hij stelt daarbij oeroude bronnen in het werk. Zo oogst hij roem bij invloedrijke denkerskringen,   Die zijn verbetenheid berijmd met lof bezingen. Hoera en loftuitingen zonder paal noch perk! Hij wil niet ophouden, geen

Gandhi In boosheid overal blijft politiek verharden, Maar ook in ons land vallen lijken uit de kast. Fier wapperen de vakbondsvlaggen in de mast. Een rukwind trekt het dundoek aan versleten flarden.   De vakbond ging gebukt onder te veel miljarden, Naar Luxemburg dan maar met zwarte fondsballast. Dat vond de fiscus uitermate ongepast, En ging

Er is geen God behalve God Mohammed is de zegelstempel der profeten! De laatste keer dat God tot dove mensheid sprak. Dat Hij in derde boek zijn eeuwig zwijgen brak, Dat wordt Hem tot op heden dikwijls nog verweten.   Sindsdien zit Allah sprakeloos het uit te zweten, Kwam niet meer tussenbeide

Allah akbar in Rabat Eerst klinken ze nog ver in nachtelijke stilte. Ze komen evenwijdig aan met dageraad, Naar onderscheid van zwarte met een witte draad, De hitte tegemoet geschreeuwd uit ochtendkilte:   O morgengloren in uw oostelijke prilte! De Heer begint zijn dagelijkse scheppingsdaad, Met pracht en zegepraal in lichte overdaad, God overstelpt

Van God los In de gemengde wijk is de feestpret bedorven. Nu was er daar ineens een steile atheïst, Die vol van zijn na-ijver zich geen blijf meer wist. De godsdienst heeft het volgens hem verkorven.   Hoevelen zijn er niet gesneuveld en gestorven? Hoevelen in Godsnaam verdwenen of vermist? Door godsdienstoorlogen en

Luider of dichter In de gemengde wijk verrijst een klokkentoren, Vlakbij een gestileerde mini-minaret, Met tegeltjes en liefde  in elkaar gezet. Om beurt laten ze klokken of hun roepstem horen,   Tot lof van God verheven zingen hemelkoren. Daar beiert ‘t carillon in het torenlunet, Gevolgd door eerste letter van het alfabet. Zo gaat