HomeSonnetten (Page 4)

Sonnetten

Firenze Nachtegaal Zij dwaalt met het lichtschoteltje voorbij de zieken, Gewonden en ontploften. Kandelaar en kaars Op zoek naar wondvuur of naar iets verbeterbaars. De oorlogsheelkunde beleeft zijn hoogste pieken.   De stank van ledematen die beginnen rieken . Veroordeeld is de voet, de tenen zien al paars. Het is er koud en

De zorg voor de vorm De oud-soldaat, gericht methodisch aan het koken Terwijl de ketel wenend aan het fluiten slaat En stoom in hete druppeldamp ontsnapt. Paraat Staat hij met theepot klaar. Het brood is aangebroken.   Hij smeert de boterhammen strak met brede stroken. Hij kijkt eens op de klok: het

Begraven held in eco-kist De kerkklok houdt de adem in. Stil vallen twisten. Daar vormt zich grauwe stoet op tocht naar dodenveld, Rond stof’lijk overschot, door naasten vergezeld. Het leger was er niet. Alsof ze het niet wisten.   Na lange doodstrijd heeft hij zich toch laten kisten. Door onzichtbare hand van

Oradour sur Glane Wat nog het meeste opvalt, zijn de naaimachines, Die brand weerstonden, de metalen rug gekromd. Verroest door weerinwerking, tooien ze verstomd Verkoolde huizen op, en zwijgende ruïnes.   Onhoorbaar is de weergalm van de krijgsbottines, Genaaid, gestikt de burgerschap en uitgegomd. Zinloos geweld dat nog niet echt is uitgegromd. Het zindert

Schilderij van Permeke Het landschap afgeleefd. Haar trekken afgestorven. Het Westhoekplatteland met boerin op het erf, Geschetst met granen in de hand op kippenwerf, In dikke lijnen op het schildersdoek gekorven.   De oorlog heeft de vrede lang genoeg bedorven. Door grijze morgenluchten drijft een paarse kerf, De horizon is als een scherf

Heldenmoedstraat Een straat in Jette is genoemd naar Heroïsme: De Heldenmoedstraat in een tussenstand van tijd, Herinnert aan de grote massa-sneuvelstrijd, Slachtoffers van agressie en van terrorisme,   Van nazi's en fascisten of van communisme, Hun beeld is afgeknaagd door tanden van de tijd. De Heldenmoedstraat is tot spijt van wie benijdt, Geen parel

Brussels lof Bekend niet enkel om zijn witloof en zijn spruitjes, Naast strips (het journalistje met de kleine kuif), Biedt Brussel schrijversfestivals een vette kluif, Gebraden met sjalot en geconfijte uitjes.   Verlaat de platgetreden paden, lieve luitjes Ga kijken naar het standbeeld van de Oorlogsduif Omsmeed door lover van olijf en wingerddruif En

Kerkhofbloem Doorploegde aarde wasemt adem om de doden. Hectaren landschap liggen zompig uitgespreid. Een late herfstsfeer, ingestampt en aangeheid. Hier ligt zij vredig tussen aangeharkte zoden,   Gezien haar ziel naar het hiernamaals is ontboden, Omringd door menigeen, naar rang en stand verbreid, In klamme aarde liefdevol in rijen neer geleid: Haar doodsgenoten en

Tot afscheid Nu, na dit zware boek wil ik niet dieper graven Al is het soms gezet op een beladen toon De schrijver is betaald te kárig hongerloon Bedolven onder werk en geen genadegaven   De bronnen die de teksten hadden moeten staven Zijn niet altijd vermeld in hoogsteigen persoon Hun zij mijn

Verstikt Wie spreekt, wacht de galei, wie schrijft, wordt opgeknoopt. Ofwel verbrand. Wie ketterijen toebehoort, Meedogenloos door hoge Rechters opgespoord, En zonder kans op t’rugkeer uit Gods volk gestroopt.   Wie te veel nádenkt, ziet zijn levenswerk gesloopt. Al wie de vrije meningsuiting heeft bekoord, Is vogelvrij verklaard en weldra uitgemoord. Op vrijgeleide noch